Je hebt alles goed voor elkaar, behalve in de liefde.
Of je nu single bent of een relatie hebt, je belandt steeds opnieuw in dezelfde dynamiek.
Je past je aan. Je slikt je behoeften in.
Grenzen aangeven? Dat vind je lastig.
Je bent bang dat je ‘te moeilijk’ bent.
En misschien wel het pijnlijkste:
Je twijfelt of de liefde überhaupt wel voor jou is weggelegd.
Je blijft hopen dat het ooit echt goed komt.
Maar steeds opnieuw merk je: je verliest jezelf in het contact.
Je voelt je niet echt gezien of gekozen.
Je houdt de hoop vast, maar verliest langzaam het vertrouwen in jezelf.
En je herkent het patroon...
Je weet: het ligt niet (alleen) aan de ander.
Het zijn oude mechanismen die aangaan zodra je in verbinding komt.
Je herkent het van vroeger.
Hoe je als kind leerde je aan te passen.
Hoe je gevoelens wegstopte om de ander niet te verliezen.
Je zenuwstelsel leerde: liefde vraagt dat ik mezelf verlaat.
Dit patroon kan ook later ontstaan of versterkt zijn.
In een relatie waarin de ander emotioneel niet beschikbaar was, en jij steeds harder ging werken om de verbinding te voelen. Je raakte het contact met jezelf kwijt. En nu je je weer wilt openstellen, ben je bang opnieuw in datzelfde patroon terecht te komen.
Je verlangt naar een liefde die echt klopt.
Waarin jij in verbinding blijft met jezelf én met de ander.
Waarin jij volledig jezelf kunt zijn.
Met iemand die emotioneel beschikbaar is, die jou ziet en helemaal voor je gaat. Niet alleen in woorden, maar ook in daden.